Jezus Heer gemeenschap vzw

De Goddelijke Openbaring van de Hel

door Mary Kathryn Baxter

INDELING:

1. Naar de Hel
2a. Het linkerbeen van de Hel
2b. Het linkerbeen van de Hel
3a. Het rechterbeen van de Hel
3b. Het rechterbeen van de Hel
4a. Meer putten
4b. Meer putten
5. De tunnel van Vrees
6a. Bedrijvigheid in de Hel
6b. Bedrijvigheid in de Hel

De Goddelijke Openbaring van de Hel: Vervolg 1

De Goddelijke Openbaring van de Hel: Vervolg 2

 

1. Naar de Hel

In maart 1976 terwijl ik thuis in gebed was kreeg ik bezoek van de Here Jezus Christus. Ik was reeds dagenlang in de Geest aan het bidden toen ik opeens de onmiskenbare tegenwoordigheid van God ervoer. Zijn kracht en Zijn heerlijkheid vulden het huis. Een schitterend licht verlichtte de kamer waar ik bad, en een liefelijk en wonderbaar gevoel kwam over mij.

Lichten stroomden in golven, rolden in en over elkaar en scheidden zich weer. Het was een spectaculair gezicht! En toen begon de stem van de Heer tot mij te spreken.
Hij zei: "Ik ben Jezus Christus, jouw Heer, en Ik wens je een openbaring te geven om de heiligen gereed te maken voor Mijn wederkomst en om velen tot gerechtigheid te brengen. De machten der duisternis zijn reëel en Mijn oordelen zijn waarachtig".

"Mijn kind, Ik zal je door Mijn Geest meenemen naar de hel, en Ik zal je vele dingen tonen die Ik wil dat de wereld weet. Ik zal vele malen aan je verschijnen; Ik zal je geest uit je lichaam nemen en je werkelijk naar de hel brengen".
"Ik wil dat je een boek schrijft waarin je vertelt over de visioenen en alles wat Ik je openbaar. Jij en Ik zullen samen door de hel gaan. Maak een verslag van deze dingen die waren, die zijn en nog komen moeten. Mijn woorden zijn waarachtig, getrouw en betrouwbaar. Ik Ben Die Ik Ben, en er is niemand buiten Mij".

"Lieve Here", riep ik uit: "Wat wilt U dat ik doen zal?" Mijn hele wezen wilde tot Jezus roepen, om mijn erkentelijkheid voor Zijn aanwezigheid te uiten. De beste manier waarop ik dit gebeuren kan beschrijfen is door u te zeggen dat liefde over mij uitgestort werd. Het was de mooiste, vredigste, machtigste, meest vreugdevolle liefde die ik ooit heb gevoeld.

Gods lof begon uit mij voort te vloeien. Opeens wilde ik mijn hele leven aan Hem geven om door Hem gebruikt te worden, en te helpen met het redden van de mensen van hun zonde. Ik wist, door Zijn Geest, dat het werkelijk Jezus was, de Zoon van God die bij mij in de kamer was. Ik kan geen woorden vinden om Zijn Goddelijke tegenwoordigheid tot uitdrukking te brengen. Maar ik weet dat ik weet dat het de Here was.

"Zie, Mijn kind", zei Jezus: "Ik ga je door Mijn Geest meenemen naar de hel, opdat je in staat zult zijn om een verslag te maken van de realiteit ervan, en om heel de aarde te vertellen dat de hel echt bestaat, en om de verlorenen uit de duisternis tot het licht van het Evangelie van Jezus Christus te brengen".
Onmiddelijk werd mijn ziel uit mijn lichaam getrokken. Ik ging met Jezus omhoog, mijn kamer uit en de lucht in. Ik wist alles wat er om mij heen gebeurde. Ik zag mijn man en mijn kinderen slapen in ons huis beneden ons.

Het was net alsof ik gestorven was en mijn lichaam op mijn bed was achtergelaten terwijl mijn geest met Jezus door het dak van het huis opsteeg. Het leek wel alsof het hele dak teruggerold was, en ik mijn familie zag slapen in hun bedden.

Ik voelde de aanraking van Jezus toen Hij zei: "Wees niet bang. Zij zijn veilig". Hij kende mijn gedachten.
Ik wil proberen om zoveel als in mijn vermogen ligt u stap-voor-stap te vertellen wat ik zag en voelde. Sommige van de dingen begreep ik niet. De Here Jezus legde mij de betekenis uit van het meeste wat ik zag, maar er waren dingen die Hij mij niet vertelde.

Ik wist toen en ik weet nu, dat deze dingen werkelijk gebeurden en dat alleen God ze mij kon tonen. Prijs Zijn heilige naam. Mensen, geloof mij, de hel is realiteit. Ik werd daar vele malen door de Geest naartoe gebracht, tijdens de voorbereidingen van dit verslag.

Spoedig waren wij hoog in de lucht. Ik keerde mij om en keek naar Jezus. Hij was vol van glorie en macht, en stromen van vrede vloeiden uit Hem. Hij nam mijn hand en zei: "Ik heb je lief. Vrees niet, want Ik ben met je".
Toen Hij dat zei stegen wij nog hoger de lucht in, en nu kon ik de aarde beneden ons zien. Op vele plaatsen, overal verspreid, staken trechters uit de aarde die snel ronddraaiden naar een centraal punt en dan weer terugkeerden. Deze trechters bewogen zich aanhoudend hoog boven de aarde en rezen vanuit de aarde over heel het oppervlak omhoog. "Wat zijn dat?" vroeg ik de Here Jezus toen wij vlakbij één van die dingen waren.

"Dit zijn de poorten van de hel", zei Hij. Door één van die poorten zullen wij de hel binnengaan".
Onmiddelijk gingen we één van de trechters binnen. Vanbinnen leek het op een tunnel die rond en rond draaide en dan weer terug, net als een tol.

Diepe duisternis daalde op ons neer, en met die duisternis kwam er een stank zo verschrikkelijk dat het mijn adem benam. Langs de zijkanten van deze tunnel waren levende vormen, ingesloten in de wand. Donkergrijs in kleur, bewogen de vormen zich en schreeuwden naar ons als wij ze passeerden. Ik wist, zonder dat het mij werd verteld, dat het boosaardige wezens waren.

De vormen konden zich bewegen maar zaten nog in de muren vast. Een vreselijke stank ging er van hen uit, en zij krijsten naar ons met een afschuwelijk geluid. Ik voelde een onzichtbare, kwade macht bewegen binnenin de tunnel.
Nu en dan kon ik in de duisternis de omtrek uitmaken van de vormen. De meesten van hen waren bedekt met een vuile mist. "Here, wat zijn dit?" vroeg ik terwijl ik Jezus' hand goed vasthield.
Hij zei: "Dit zijn boze geesten, gereed om op de aarde uitgespuwd te worden wanneer satan de bevelen geeft".

Terwijl wij binnenin de tunnel afdaalden, lachten de kwade vormen en riepen ons na. Zij probeerden ons aan te raken, maar konden het niet vanwege de kracht van Jezus. De lucht was geheel besmet en vuil en alleen de aanwezigheid van Jezus bewaarde mij ervoor dat ik het uitgilde van louter afgrijzen.
O ja, ik had al mijn zintuigen - ik kon het boze van deze plaats horen, ruiken, zien, voelen en zelfs proeven. Mijn zintuigen waren in feite zelfs gevoeliger geworden, en de reuk en smerigheid maakten mij misselijk.

Gekrijs vulde de lucht toen wij het einde van de tunnel naderden. Doordringend gegil rees omhoog en kwam op ons af uit de duisternis. Allerlei soorten geluiden vulden de lucht. Overal om mij heen voelde ik angst, dood en zonde.

De ergste stank die ik ooit geroken heb vulde de lucht. Het was de stank van ontbindend vlees, en het scheen uit alle richtingen te komen. Op aarde had ik nimmer zulke boosheid gevoeld of zulk wanhopig gegil gehoord. Spoedig zou ik ontdekken dat dit het gillen was van de doden en dat de hel vervuld was van hun gejammer.

Ik voelde een vlaag van een kwade wind en enige zuigkracht op ons afkomen. Lichten die op bliksemflitsen leken drongen door de zwarte duisternis heen en wierpen grijze schaduwen op de muren. Ik kon amper de vorm uitmaken van iets dat voor mij uitging. Geschokt deinsde ik terug toen ik mij realiseerde dat het een grote slang was die zich voor ons voortbewoog. Toen ik bleef kijken zag ik overal die afschuwelijke slangen glibberen.

Jezus zei tegen me: "Wij zullen spoedig het linkerbeen van de hel binnengaan. Je zult groot leed, pathetische droefheid en onbeschrijfelijke verschrikking zien. Blijf dicht bij Mij, en Ik zal je sterkte en bescherming geven terwijl wij door de hel gaan.

"De dingen die je straks zult zien zijn een waarschuwing", zei Hij. "Het boek dat je zult schrijven zal vele zielen redden van de hel. Wat je ziet is werkelijkheid. Wees niet bevreesd, want Ik zal met je zijn."

Eindelijk waren de Heer Jezus en ik op de bodem van de tunnel. Wij stapten eruit en gingen de hel binnen. Ik zal naar mijn beste vermogen trachten u te vertellen wat ik zag, en ik zal het vertellen in de volgorde waarin God het mij gaf.

Vóór ons waren, zover als ik kon zien, vliegende voorwerpen die overal heen schoten. Gekerm en meelijwekkend gehuil vulden de lucht. Voor ons zag ik een flauw licht en wij begonnen ernaartoe te lopen. Het pad bestond uit droge, poederige grond. Wij waren al gauw bij de ingang van een smalle, donkere tunnel.

Sommige dingen kan ik niet op papier zetten; die waren te ontzettend om te beschrijven. De angst in de hel kon je proeven, en ik wist dat als Jezus niet bij mij geweest was, ik niet terug had kunnen komen. Terwijl ik dit schrijf begrijp ik nog steeds niet sommige van de dingen die ik zag, maar de Heer weet alle dingen, en Hij hielp mij het meeste wat ik zag te begrijpen.

Laat mij u waarschuwen - ga niet naar die plaats. Het is een afschuwelijke plaats vol martelingen, folterende pijn en eeuwige smart. Uw ziel zal altijd blijven leven. De ziel leeft voor eeuwig. Zij is de werkelijke u, en uw ziel zal òf naar de hemel òf naar de hel gaan.

Tot degenen onder u die denken dat de hel hier op aarde is, wil ik zeggen: u heeft gelijk, het is waar! De hel is in het centrum van de aarde, en daar zijn zielen die dag en nacht folteringen ondergaan. Er zijn geen feestjes in de hel. Geen liefde. Geen ontferming. Geen rust. Het is een plaats van zo grote smart, dat het ons bevattingsvermogen te boven gaat.

 

2a. Het linkerbeen van de hel

Een vreselijke stank vervulde de lucht. Jezus zei tegen mij: "In het linkerbeen van de hel zijn vele putten. Deze tunnel heeft vertakkingen naar andere delen van de hel, maar wij zullen eerst enige tijd doorbrengen in het linkerbeen."

"De dingen die je nu ziet zullen je altijd bijblijven. De wereld moet weten dat de hel reëel is. Vele zondaars en zelfs sommigen van Mijn volk geloven niet dat de hel werkelijk bestaat. Je bent door Mij gekozen om deze waarheden aan hen te openbaren. Alles wat Ik je zal laten zien van de hel, en al het andere wat Ik je zal tonen is waar".

Jezus had Zich aan mij vertoond in de vorm van een helder schijnend licht, stralender dan de zon. De vorm van een man was in het centrum van dat licht. Soms zag ik Jezus als een man, maar op andere tijden had Hij de vorm van een geest.

Hij sprak weer: "Kind, wanneer Ik spreek, heeft de Vader gesproken. De Vader en Ik zijn één. Denk eraan boven alles lief te hebben, en elkaar te vergeven. Kom nu, volg Mij".
Terwijl wij voortgingen, vluchtten boze geesten weg van de tegenwoordigheid van de Here. "O God, o God", riep ik schreiend uit: "Wat komt er nu?"

Zoals ik reeds eerder zei, behield ik al mijn zintuigen . Die van mij werkten nu op volle kracht. Angst was er nu aan alle kanten en onuitsprekelijke gevaren lagen overal op de loer. Iedere stap die ik nam was afschuwelijker dan die ervoor.

Er waren deuropeningen ongeveer de grootte van een klein raam, bovenin de tunnel. Zij openden en sloten zich heel snel. Gegil vulde de ruimte, als vele boze wezens ons voorbijvlogen, in en uit de poorten der hel. Spoedig waren wij aan het eind van de tunnel. Ik beefde van schrik vanwege het gevaar en de vrees om ons heen.

Ik was zo dankbaar voor de bescherming van Jezus. Ik dank God voor Zijn almachtige kracht die ons beschermt, zelfs in de putten van de hel. Zelfs met dat beschermende schild, bleef ik denken: "Niet mijn wil, Vader, maar Uw wil geschiede".

Ik keek naar mijn lichaam. Voor de eerste keer merkte ik op dat ik in een geestesvorm was, en dat mijn vorm de gedaante van mijzelf had. Ik vroeg mij af wat er nu zou komen.
Jezus en ik stapten uit de tunnel op een pad dat tussen twee stroken land liep. Er waren overal vuurputten zo ver als het oog kon zien. De putten waren schaalvormig en ongeveer 1 1/3 meter wijd en een meter diep. Jezus zei: "Er zijn veel van deze putten in het linkerbeen van de hel. Kom, Ik zal je enkele ervan laten zien".

Ik stond naast Jezus op het pad en keek in één van de putten. Zwavel was ingesloten in de kant van de put, en gloeide rood als gloeiende vurige kolen. In het midden van de put was een verloren ziel die gestorven was en naar de hel was gegaan. Vuur begon te branden op de bodem van de put, schoot omhoog en hulde de verloren ziel in vlammen. In een ogenblik doofde het vuur weer bijna uit om dan weer met een geruis omhoog te schieten, over en rondom de gefolterde ziel in de put.

Toen ik keek zag ik dat de verloren ziel in de put zat gekooid binnenin de vorm van een geraamte. "Mijn Heer", schreide ik: "Kunt U haar er niet uithalen?" Hoe verschrikkelijk was de aanblik! Ik dacht: Ik had daar kunnen zitten. Ik zei: "Heer, wat is het droevig om te zien en te weten dat daarbinnen een levende ziel is".

Ik hoorde een luide kreet uit het midden van die eerste put komen. De ziel, binnenin de vorm van een geraamte, huilde: "Jezus, heb medelijden"!
"O, Here!" zei ik. Het was de stem van een vrouw. Ik keek naar haar en wilde haar wel uit het vuur trekken. De aanblik van haar brak mijn hart.

De skaletvorm van een vrouw met een vuilgrijze mist vanbinnen, was tegen Jezus aan het praten. Ik luisterde naar haar, diep geschokt. Flarden halfvergaan vlees hingen aan haar beenderen, en, wanneer het brandde viel het naar beneden op de bodem van de put. Er waren alleen maar lege oogholten waar haar ogen waren geweest. Zij had geen haar.

Het vuur begon bij haar voeten in kleine vlammen die groter werden als het vuur omhoogklom over en op haar lichaam. De vrouw scheen aanhoudend te branden, zelfs wanneer het vuur alleen maar tot gloeiende kolen werd. Diep vanuit haar binnenste kwamen kreten en wanhopig gejammer: "Heer, Heer, ik wil eruit!"
Zij bleef haar armen naar Jezus uitstrekken. Ik keek naar Jezus en er was grote smart op Zijn gelaat. Jezus zei tegen mij: "Mijn kind, je bent hier met Mij om de wereld te laten weten dat zonde de dood voortbrengt, dat de hel echt bestaat".

Ik keek weer naar de vrouw, en wormen kropen uit haar beenderen van haar geraamte. Zij hadden geen last van het vuur. Jezus zei: "Zij weet dat die wormen binnenin haar zijn, zij voelt ze".

"God, ontferm U!" riep ik uit als het vuur zijn hoogtepunt bereikte en het afgrijselijke branden weer helemaal opnieuw begon. Luide kreten en diepe snikken schudden de vorm van deze vrouwenziel. Zij was verloren. Er was geen uitkomst. "Jezus, waarom is zij hier?" vroeg ik met een klein stemmetje, want ik was erg bang. Jezus zei: "Kom".

Het pad waarop wij liepen was niet recht maar kronkelde zich van en naar de vuurputten, zo ver als ik kon zien. Het geklaag van de levende doden, vermengd met gekerm en afschuwelijk gekrijs, kwam van alle kanten op mij af. Er zijn geen tijden van rust in de hel. De geur van dood en rottend vlees hing zwaar in de ruimte.

Wij kwamen bij de volgende put. Binnenin deze put die dezelfde afmetingen had als de eerste, was ook een skaletvorm. De stem van een man riep vanuit de put: "Heer, ontferm U over mij!" Alleen wanneer zij spraken kon ik zeggen of de ziel een man of een vrouw was.

Grote jammerende snikken kwamen uit deze man: "Het spijt me zo, Jezus. Vergeef mij. Neem me weg vanhier. Ik ben al jaren in deze folterplaats. Ik smeek U, laat mij eruit!" Diepe snikken schudden zijn geraamte, terwijl hij smeekte: "Alstublieft Jezus, laat mij eruit!" Ik keek naar Jezus en zag dat ook Hij schreidde.

"Here Jezus", huilde de man vanuit de brandende put, "Heb ik niet genoeg geleden voor mijn zonden? Ik ben veertig jaar geleden gestorven".

Jezus zei: "Er staat geschreven: "De rechtvaardige zal uit het geloof leven!" Alle spotters en ongelovigen zullen hun deel hebben in de poel des vuurs. U wilde de waarheid niet geloven. Vele malen werden Mijn mensen naar u toegezonden om u de weg te wijzen, maar u wilde niet naar hen luisteren. U lachte hen uit en weigerde het Evangelie. Hoewel Ik voor u aan een kruis stierf, spotte u met Mij en wilde geen berouw tonen van uw zonden. Mijn Vader gaf u vele gelegenheden om gered te worden. Als u alleen maar had willen luisteren!" Jezus weende.

"Ik weet het Heer, ik weet het!" riep de man. "Maar ik heb nu berouw".
"Het is te laat", zei Jezus. "Het oordeel is vastgesteld".

De man vervolgde: "Heer, sommigen van mijn familieleden zullen hier komen, want zij willen zich ook niet bekeren. Alstublieft Heer, sta mij toe naar ze toe te gaan om ze te vertellen dat zij zich moeten bekeren van hun zonden terwijl zij nog op aarde zijn. Ik wil niet dat zij ook hier komen".

Jezus zei: "Zij hebben predikers, leraars, oudsten die allen het Evangelie bedienen. Die vertellen het hun. Zij kunnen ook profijt trekken van de moderne communicatiesystemen, ook zijn er vele andere mogelijkheden om van Mij te leren. Ik heb arbeiders naar hen gezonden opdat zij zullen geloven en gered worden. Als zij niet willen geloven wanneer zij het Evangelie horen, dan zullen zij zich ook niet laten overreden door iemand die uit de dood verrezen is".

Hierop werd de man erg kwaad en begon te vloeken. Slechte, godslasterlijke woorden kwamen uit zijn mond. Ik keek toe in afgrijzen als de vlammen omhoog rezen en zijn dood, rottend vlees begon te branden en van hem af te vallen. Binnenin deze dode verloren man zag ik zijn ziel, die eruit zag als een vuilgrijze mist, en die zijn geraamte vanbinnen vulde.

Ik keerde me naar Jezus en riep uit: "Here, wat verschrikkelijk!"
Jezus zei: "De hel is realiteit; het oordeel is realiteit. Ik heb ze zo lief Mijn kind. Dit is slechts het begin van de vreselijke dingen die Ik je moet tonen. Er komt nog veel meer.
"Vertel de wereld voor Mij dat de hel bestaat, dat mannen en vrouwen zich moeten bekeren van hun zonden. Kom, volg Mij. Wij moeten voortgaan".

 

2b. Het linkerbeen van de Hel

In de volgende put was een tenger-gebouwde vrouw die een jaar of tachtig scheen. Ik kan niet zeggen hoe ik haar leeftijd wist, maar ik wist het. Het vlees was door de aanhoudende vlam verwijderd van haar gebeente en alleen de beenderen waren er nog met een ziel als een vuile mist vanbinnen. Ik keek toe terwijl zij brandde in het vuur. Ik zag alleen beenderen en de wormen die daarbinnen kropen, die het vuur niet kon verbranden.

"Here, wat vreselijk!" schreide ik. "Ik weet niet of ik wel door kan gaan, dit is een ongelofelijke verschrikking". Zo ver als mijn ogen konden zien waren zielen aan het branden in putten vol vuur.
"Mijn kind, daarom ben je hier", antwoordde Jezus. "Je moet de waarheid weten en vertellen over de hel. De hemel is realiteit! De hel is realiteit! Kom, wij moeten voortgaan".

Ik keek om naar de vrouw. Haar geschrei klonk zo bedroefd. Terwijl ik naar haar keek vouwde zij haar knokige handen samen, als in gebed. Ik moest schreien. Ik wist dat de mensen in de hel ook al deze dingen voelden.

Jezus kende mijn gedachten. "Ja kind", zei Hij, "dat doen ze ook. Wanneer mensen in de hel komen hebben ze nog dezelfde gevoelens en gedachten als toen zij op aarde waren. Zij herinneren zich hun gezinnen en vrienden en al die tijd op aarde hadden zij de kans om zich te bekeren, maar zij hebben geweigerd. Zij blijven zich alles herinneren. Hadden zij het Evangelie maar geloofd, en berouw getoond voor het te laat was".

Ik keek nog eens naar de oude vrouw, en deze keer merkte ik op dat zij maar één been had, en het was alsof er gaten in haar heupgewrichten waren geboord. "Wat zijn dat Jezus?" vroeg ik.

Hij zei: "Kind, toen zij op aarde was, had zij kanker en had veel pijn. Zij werd geopereerd om haar leven te redden. Zij lag vele jaren ziek, een bittere oude vrouw. Velen van Mijn mensen kwamen om voor haar te bidden en haar vertellen dat Ik haar kon genezen. Zij zei: "God deed me dit aan" en zij wilde zich niet bekeren en het Evangelie geloven. Eens kende zij Mij zelfs, maar door de tijd heen begon zij Mij te haten".

"Zij zei dat ze God niet nodig had en niet wilde dat ik haar genas. Toch pleitte Ik bij haar, want Ik wilde haar nog altijd helpen, Ik wilde haar genezen en zegenen. Zij keerde Mij de rug toe en vervloekte Mij. Zij zei dat ze Mij niet wilde. Mijn Geest bleef pleiten bij haar. Zelfs nadat ze Mij de rug had toegekeerd probeerde Ik haar tot Mij te trekken door Mijn Geest, maar ze wilde niet luisteren. Tenslotte stierf zij en kwam hier".

De oude vrouw riep naar Jezus: "Here Jezus, vergeef mij nu, alstublieft. Het spijt mij dat ik geen berouw had toen ik op aarde was". Onder diepe snikken riep ze uit tegen Jezus: "Had ik me maar bekeerd voordat het te laat was! Heer, help me hieruit. Ik zal U dienen, ik zal goed zijn. Heb ik nog niet genoeg geleden? Waarom wachtte ik tot het te laat was? O, waarom heb ik gewacht totdat Uw Geest ophield met het worstelen om mijn ziel?"

Jezus zei: "U kreeg kans na kans om u te bekeren en Mij te dienen". Droefheid was op Jezus' gelaat te lezen toen wij doorliepen.
Terwijl ik de oude vrouw hoorde roepen, vroeg ik: "Here, wat komt er nu?"

Overal om mij heen voelde ik vrees. Overal was kommer, waren kreten van pijn en was er een sfeer vervuld van de dood. Jezus en ik gingen met droefheid en medelijden naar de volgende put. Slechts door Zijn kracht kon ik verder gaan. Vanaf een grote afstand kon ik nog steeds de kreten van berouw en het pleiten om vergiffenis van de oude vrouw horen. Was er maar iets wat ik kon doen om haar te helpen, dacht ik. Zondaar, wacht alstublieft niet totdat Gods Geest ophoudt met u te worstelen om uw ziel.
In de volgende put zat een vrouw op haar knieën, asof zij iets aan het zoeken was. Haar skaletvorm was ook vol gaten. Haar beenderen waren duidelijk te zien en haar verscheurde jurk was aan het branden. Haar hoofd was kaal en er waren slechts gaten waar haar ogen en neus zouden moeten zijn. Een klein vuur brandde om haar voeten heen, terwijl zij knielde, en zij klauwde zich vast aan de kanten van de zwavelput. Het vuur hing aan haar handen, en dood vlees bleef van haar afvallen terwijl zij haar nagels ingroef.

Geweldige snikken schudden haar. "O Heer, o Heer", huilde zij: "Ik wil eruit". Terwijl wij toekeken had zij zich eindelijk naar de opening van de put geklauwd met haar handen em voeten. Ik dacht dat zij eruit zou gaan toen een grote demon met grote vleugels die bovenaan gebroken leken, en langs zijn zijden hingen, naar haar toe kwam rennen. Zijn kleur was bruinachtig-zwart, en hij had haar over heel zijn grote vorm. Zijn ogen waren heel diep in zijn hoofd gezet, en hij was zo ongeveer de grootte van een grote grijze beer. De demon rende naar de vrouw en duwde haar heel hard achterover de put en het vuur in. Ik keek toe in afgrijzen toen zij viel. Ik had zo'n medelijden met haar. Ik wilde haar in mijn armen nemen en vasthouden, en God vragen haar te genezen en hiervandaan te halen.

Jezus kende mijn gedachten en zei: "Mijn kind, het oordeel is vastgesteld. God heeft gesproken. Reeds toen zij een kind was riep Ik haar telkens weer om zich te bekeren en Mij te dienen. Toen zij zestien jaar was kwam Ik naar haar toe en zei: "Ik heb je lief. Geef je leven aan Mij en kom, volg Mij, want Ik heb je geroepen voor een speciaal doel". Haar hele leven riep Ik haar, maar zij wilde niet luisteren. Zij zei: 'Eens op een dag zal ik U dienen. Ik heb nu geen tijd voor U. Geen tijd, geen tijd, ik wil mijn leven van plezier. Geen tijd, geen tijd om U te dienen, Jezus. Morgen zal ik het doen'. Maar morgen is nooit gekomen, want zij wachtte te lang".

De vrouw riep tegen Jezus: "Mijn ziel wordt werkelijk gefolterd. Er is geen mogelijk om hier uit te komen. Ik weet dat ik de wereld wilde in plaats van U, Heer. Ik wilde rijkdom, roem en geluk, en ik kreeg het. Ik was mijn eigen baas. Ik was de knapste, meest goedgeklede vrouw van mijn tijd. En ik was rijk, had roem en voorspoed, maar ik ontdekte dat ik die dingen niet met me mee kon nemen de dood in. O Heer, de hel is verschrikkelijk. Ik heb dag noch nacht rust. Ik heb altijd pijn en martelingen. Help mij Heer", huilde zij.

De vrouw keek zo verlangend op naar Jezus, en ze zei: "Mijn lieve Heer, had ik maar naar U geluisterd! Ik zal voor altijd berouw hebben dat ik het niet deed. Ik was zo van plan U eens te zullen dienen - wanneer ik er klaar voor was. Ik dacht dat U er altijd voor mij zou zijn. Maar wat heb ik mij vergist! Ik was één van de meest gezochte vrouwen van mijn tijd, vanwege mijn schoonheid. Ik wist dat God mij tot bekering riep.

Heel mijn leven trok Hij mij met koorden van liefde, en ik dacht dat ik God kon gebruiken, zoals ik ieder ander gebruikte. Hij zou er altijd wel zijn. O ja, ik gebruikte God! Hij probeerde zo hard om mij zover te krijgen dat Ik Hem ging dienen, terwijl ik al die tijd dacht dat Ik Hem niet nodig had. Wat een vergissing! Want satan begon mij te gebruiken en ik begon meer en meer de satan te dienen. Tenslotte had ik hem meer lief dan God. Ik hield ervan te zondigen en wilde me niet tot God keren.

"Satan gebruikte mijn schoonheid en mijn geld, en al mijn gedachten draaide erom heen hoeveel macht hij mij zou geven. Zelfs toen bleef God mij roepen. Maar ik dacht: ik heb morgen of overmorgen. Toen, op een dag, terwijl ik in een auto zat, reed mijn chauffeur op een huis in en ik werd gedood. Heer alstublieft, laat mij eruit". Terwijl zij sprak strekte zij haar knokige handen en armen uit naar Jezus terwijl zij brandde in de vlammen.

Jezus zei: "Het oordeel is vastgesteld".
Tranen liepen langs Zijn wangen toen wij naar de volgende put gingen. Ik schreide vanbinnen over de verschrikkingen van de hel. "Lieve Heer", riep ik: "de folteringen zijn te reëel. Als een ziel hier binnenkomt is er geen hoop meer, geen leven, geen liefde. Hel is te werkelijk". Geen uitkomst, dacht ik. Zij moet voor altijd in deze vlammen branden.

Jezus zei: "We hebben niet veel tijd meer. We zullen morgen teruggaan".
Vriend, als u in zonde leeft, bekeer u, alstublieft. Als u wedergeboren bent en God uw rug hebt toegekeerd, heb berouw en keer terug tot Hem nu. Leef een goed leven, en sta voor de waarheid. Waak op, voor het te laat is, en dan kunt u voor eeuwig samen met de Here in de hemel zijn.

Jezus sprak weer: "De hel heeft een lichaam. (zoals een menselijke vorm) Het lichaam ligt op zijn rug in het centrum van de aarde. De hel is dus gevormd als een menselijk lichaam - buitengewoon groot en uitgestrekt, met vele folterkamers.

"Denk eraan dat je de mensen op aarde vertelt dat de hel werkelijk bestaat... Er zijn miljoenen verloren zielen in de hel en iedere dag komen er nieuwe zielen bij. Op de grote oordeelsdag zullen de dood en de hel in de poel van vuur geworpen worden; dat zal de tweede dood zijn".

3a. Het Rechterbeen van de Hel

Ik was niet in staat om te slapen of te eten sinds ik de nacht ervoor in de hel was. Elke nacht in de hel beleefde ik de volgende dag opnieuw. Wanneer ik mijn ogen sloot kon ik niets zien dan de hel. Mijn oren konden het gegil van de verdoemden niet buitensluiten. Alsof ik een televisieprogramma zag, beleefde ik steeds weer al de dingen waarvan ik in de hel getuige was geweest. Elke nacht was ik in de hel, en elke dag worstelde ik om precies de juiste woorden te vinden waarmee ik de wereld over de afschrikwekkende plaats kon vertellen.

Jezus verscheen weer aan mij en zei: "Vannacht gaan wij het rechterbeen van de hel binnen, Mijn kind. Wees niet bang, want Ik heb je lief en ben met je".
Het gelaat van de Heer was smartelijk, en Zijn ogen waren gevuld met grote tederheid en diepe liefde. Ofschoon degenen die in de hel waren voor altijd waren verloren, wist ik dat Hij ze nog altijd liefhad en lief zou hebben tot in alle eeuwigheid.

"Mijn kind", zei Hij: "God, onze Vader, gaf elk van ons een wil opdat wij konden kiezen wie wij wilden dienen, Hem of satan. Weet je, God maakte de hel niet voor Zijn volk. Satan bedriegt velen zodat ze hem zullen volgen, maar de hel was gemaakt voor Satan en zijn engelen. Het is niet Mijn noch Mijn Vaders verlangen dat iemand verloren zal gaan". Tranen van bewogenheid en medelijden liepen langs Jezus' wangen.

Hij begon nogmaals te spreken: "Onthoud Mijn woorden in de komende dagen als Ik je de hel laat zien: 'Ik heb alle macht in hemel en op aarde'. Er zullen tijden komen dat je denkt dat Ik je verlaten heb, maar dat is niet zo. Ook zullen we soms gezien worden door de boze machten en de verloren zielen, terwijl we op andere tijden niet gezien worden. Ongeacht waar we heen zullen gaan, wees gerust en vrees niet om Mij te volgen".

Wij vervolgden samen onze weg. Ik ging al schreiende vlak achter Hem aan. Ik had reeds dagenlang gehuild en kon de tegenwoordigheid van de hel die mij altijd voor ogen was niet afschudden. Ik huilde het meest vanbinnen. Mijn geest was erg bedroefd.

Wij arriveerden bij het rechterbeen van de hel. Voor mij uitkijkend zag ik dat wij op een voetpad waren dat droog en verpulverd was. Gegil vulde de vuile lucht en de stank van de dood was overal. De geur was soms zo weerzinwekkend dat ik er misselijk van werd. Er was overal duisternis, het enige licht dat er was kwam uit Jezus, en dan waren er nog de zwavelputten, die verstrooid waren over het landschap zover als ik kon zien.

Opeens passeerden ons allerlei soorten demonen. Duiveltjes gromden tegen ons als zij ons passeerden. Demonische geesten in alle maten en vormen praatten met elkaar. Voor ons uit ging een grote demon die bevelen gaf aan kleine demonen. Wij stonden stil om te luisteren en Jezus zei: "Er is ook een onzichtbare leger van kwade machten die wij hier niet zien - demonen zoals boze ziektemachten".

"Ga!" zei de grote demon tegen de kleinere duivels en duiveltjes. "Doet veel slechte daden. Verdeelt huisgezinnen en vernietigt families. Verleidt zwakke christenen en geeft verkeerde aanwijzingen en misleidt zovelen als je kunt. Jullie ontvangen je loon wanneer je terugkomt.

"Denk eraan dat jullie voorzichtig moeten zijn tegenover degenen die Jezus hebben aangenomen als hun Verlosser. Zij hebben de macht om jullie uit te werpen. Verspreidt jullie nu over de hele aarde. Ik heb daar al heel veel anderen en heb er nog meer om uit te zenden. Onthoudt het, wij zijn dienaars van de prins der duisternis en van de machthebbers in de lucht".

Na die woorden begonnen de boze gedaanten op en uit de hel te vliegen. Deuren bovenin het rechterbeen van de hel openden en sloten zich heel snel om hen uit te laten. Sommigen gingen ook omhoog in de trechter waardoor we gekomen waren en er weer uit.

Ik zal proberen te beschrijven hoe deze boze wezens eruit zagen. Die ene die sprak was erg groot, ongeveer de grootte van een grizzly beer, bruin van kleur met een hoofd als een vleermuis, en ogen die heel diep in zijn harig gezicht stonden. Harige armen hingen langs zijn zijden en slagtanden staken uit het haar op zijn gezicht.

Een ander had de grootte van een aap met heel lange armen en haar over zijn hele lichaam. Zijn gezicht was klein en hij had een puntige neus. Ik kon nergens ogen bij hem ontdekken.
Weer een ander had een groot hoofd, grote oren en een lange staart; en dan was er één die zo groot als een paard was en een gladde huid had. De aanblik van deze demonen en boze geesten, en de vreselijke geur die van hen uitging maakten mij erg misselijk. Overal waar ik keek waren demonen en duivels. De grootsten van deze demonen, vertelde de Here mij, kregen hun bevelen regelrecht van satan.

Jezus en ik liepen verder op het voetpad tot we weer bij een put kwamen. Kreten van pijn, onvergetelijke, smartelijke geluiden kon men overal horen. Mijn Heer, dacht ik, wat zal er nu volgen?
Wij liepen vlak langs sommigen van de boze wezens, die ons niet schenen te zien, en wij stopten bij nog een vuur- en zwavelput. In deze put was een zwaargebouwde man. Ik hoorde hem het Evangelie prediken. Ik keek vol verbazing naar Jezus, wachtend op Zijn antwoord want Hij kende altijd mijn gedachten. Jezus zei: "Terwijl hij op aarde was, was hij een prediker van het Evangelie. Er was een tijd dat hij de waarheid sprak en Mij diende".

Ik vroeg me af wat deze man in de hel deed. Hij was ongeveer 2 meter lang, en zijn skalet was van een vuile grijsachtige kleur, zoals een grafsteen. Delen van zijn kleren hingen nog aan hem. Ik vroeg mij af waarom de vlammen deze gescheurde en voddige kleren niet verbrand hadden. Brandend vlees hing aan hem, en zijn schedel scheen in vlammen te zijn. Een afschuwelijke geur ging er van hem uit.

Ik lette op de man en zag dat hij zijn handen spreidde alsof hij een boek vasthield en hij begon schriftgedeelten te lezen uit dit schijnboek. Weer herinnerde ik mij wat Jezus had gezegd: "Je houdt al je zintuigen in de hel, en ze werken veel intensiever dan voorheen".

De man las tekst na tekst, en ik dacht dat het goed was. Jezus zei tegen de man met grote liefde in Zijn stem: "Zwijg, wees stil". Onmiddelijk stopte de man met spreken en langzaam wendde hij zijn hoofd om naar Jezus te kijken.

Ik zag de ziel van de man binnenin zijn skaletachtige vorm. Hij zei tegen de Heer: "Heer, nu wil ik de waarheid prediken aan alle mensen. Nu, Heer, ben ik gereed om uit te gaan en anderen over deze plaats te vertellen. Ik weet dat ik terwijl ik op aarde was, niet in een hel geloofde, noch geloofde ik dat U zou wederkomen. Ik predikte wat de mensen wilden horen en ik comprommiteerde de waarheid tegenover de mensen in mijn kerk.

Ik weet dat ik van niemand hield die van een ander ras was, of een andere huidskleur had, en ik was er de oorzaak van dat velen van U afvielen. Ik maakte mijn eigen regels aangaande de hemel en wat betrof goed en kwaad. Ik weet dat ik velen op een dwaalweg bracht en dat velen struikelden over Uw heilig Woord. Ook nam ik geld van de armen. Maar Heer, laat mij hieruit, en ik zal het goede doen. Ik zal geen geld meer van de kerk nemen. Ik heb me reeds bekeerd. Ik zal mensen van elk ras en elke kleur liefhebben".

Jezus zei: "U heeft niet alleen het Heilige Woord van God verdraaid en er een valse voorstelling van gegeven, maar u loog toen u zei dat u de waarheid niet kende. De genoegens van het leven waren belangrijker voor u dan de waarheid. Ikzelf bezocht u en trachtte u te bekeren, maar u wilde niet luisteren. U ging uw eigen weg en het kwaad was uw meester. U kende de waarheid, maar u wilde geen berouw tonen of tot Mij terugkeren. Ik was er al die tijd. Ik wachtte op u, Ik wilde dat u zich zou bekeren, maar u deed het niet. En nu is het oordeel gesteld".

Er was erbarmen te lezen op Jezus' gezicht. Ik wist dat als de man acht had geslagen op het roepen van de Verlosser, hij hier nu niet zou zijn. O mensen, alstublieft, luister naar Hem.
Jezus sprak weer tegen de afvallige: "U had de waarheid moeten spreken, dan had u velen tot gerechtigheid gebracht met Gods Woord, dat zegt dat alle ongelovigen hun deel zullen hebben in de poel van vuur en zwavel".

"U kende de weg van het kruis. U kende de weg der gerechtigheid. U wist hoe de waarheid tegen te spreken; maar satan vulde uw hart met leugens, en u ging de weg van de zonde. U had u in oprechtheid moeten bekeren, niet gedeeltelijk. Mijn Woord is de waarheid. Het liegt niet. En nu is het te laat, te laat". Bij die woorden schudde de man zijn vuist tegen Jezus en vervloekte Hem.


3b. Het rechterbeen van de hel

Bedroefd liepen Jezus en ik door naar de volgende put. De afvallige prediker was nog altijd boos op Jezus en vervloekte Hem. Toen wij langs de vuurputten liepen strekten de verlorenen hun handen uit naar Jezus, en riepen klagend om genade. Hun knokige handen en armen waren grijszwart van het branden - er was geen levend vlees of bloed, geen organen, alleen de dood en doodsheid. Binnenin mij schreide ik: O aarde, heb berouw over uw zonden. Als u zich niet bekeert komt u hier. Stop, voor het te laat is.
Wij stonden weer stil bij een put. Ik had zo'n medelijden met al die mensen, en voelde zo'n grote droefheid dat ik lichamelijk zwak was en bijna niet kon blijven staan. Mijn lichaam schokte van het snikken. "Jezus, ik heb zo'n pijn vanbinnen", zei ik.

Vanuit de put sprak de stem van een vrouw tegen Jezus. Zij stond middenin de vlammen, die haar hele lichaam overdekten. Haar gebeente was vol wormen en dood vlees. Terwijl de vlammen opflikkerden om haar heen, stak zij haar handen uit naar Jezus, en huilde: "Laat mij eruit. Ik zal U nu mijn hart geven, Jezus, ik zal anderen vertellen over Uw vergiffenis. Ik zal voor U getuigen, Ik smeek U, alstublieft, laat mij hieruit!"

Jezus zei: "Mijn Woord is de waarheid, en het verkondigt dat allen berouw moeten tonen, zich van hun zonden moeten bekeren en Mij vragen in hun leven te komen, als zij willen ontkomen aan deze plaats. Er is vergeving van zonden door Mijn bloed. Ik ben getrouw en rechtvaardig en zal allen vergeven die tot Mij komen. Ik zal hen niet afwijzen".

Hij keerde Zich om, keek naar de vrouw en zei: "Als u naar Mij had geluisterd en tot Mij was gekomen en u bekeerd had, had Ik u vergeving geschonken".
De vrouw vroeg: "Heer, is er geen manier om hieruit te komen?"
Jezus sprak heel zacht: "Vrouw", zei Hij: "U kreeg vele gelegenheden om u te bekeren, maar u verhardde uw hart en wilde niet. En u kende Mijn Woord dat zegt dat alle hoereerders hun deel in de poel des vuurs zullen hebben".

Jezus keerde Zich tot mij en zei: "Deze vrouw had zondige affaires met vele mannen, en zij veroorzaakte vele gebroken huwelijken. Toch, door dit alles heen had Ik haar nog lief. Ik kwam tot haar, niet met veroordeling, maar met behoudenis. Ik zond haar velen van Mijn dienaren, opdat zij zich zou bekeren van haar boze weg, maar zij wilde niet. Toen zij een jonge vrouw was, riep Ik haar, maar zij bleef het kwade doen. Zij deed vele verkeerde daden, toch zou Ik haar vergeven hebben, als zij tot Mij was gekomen. Satan kwam binnen bij haar, en zij werd bitter en wilde anderen niet vergeven.

Zij ging alleen naar de kerk om mannen te krijgen. Zij vond ze en verleidde ze. Was zij maar tot Mij gekomen dan waren al haar zonden weggewassen door Mijn bloed. Een deel van haar wilde Mij dienen, maar men kan niet terzelfder tijd God en satan dienen. Elk mens moet kiezen wie hij wil dienen".
"Here" schreide ik: "Geef mij de kracht om door te gaan". Ik beefde van mijn hoofd tot mijn voeten vanwege de verschrikkingen van de hel.

Jezus zei tegen mij: "Vrede zij u, wees stil".
"Help mij, Heer", riep ik. "Satan wil niet dat wij de waarheid weten over de hel. In mijn wildste dromen heb ik nooit kunnen denken dat de hel zo zou zijn. Lieve Jezus, wanneer zal hier een eind aan komen?"
"Mijn kind" antwoordde Jezus: Alleen de Vader weet wanneer het einde zal komen". Toen sprak Hij nog eens: "Vrede, wees stil". Toen kwam er grote kracht over mij.

Jezus en ik bleven voortgaan langs de putten. Ik wilde ieder persoon die we passeerden wel uit het vuur trekken en vlug aan de voeten van Jezus brengen. Vanbinnen weende ik zeer. Ik dacht bij mezelf: Ik wil niet dat mijn kinderen hier ooit komen.

Eindelijk keerde Jezus Zich tot mij en zij rustig: "Mijn kind, wij zullen nu naar je huis gaan. Morgennacht keren we terug naar dit deel van de hel".
Toen ik weer thuis was schreide en schreide ik. Gedurende de dag herleefde ik de hel en de afgrijselijke toestand van al die mensen daar. Ik vertelde iedereen die ik ontmoette overdag over de hel. Ik zei hun dat de pijn van de hel onbeschrijfelijk was.

U, die dit boek leest, smeek ik: alstublieft, bekeer u van uw zonden. Roep Jezus aan en vraag Hem u te redden. Roep Hem vandaag aan. Wacht niet tot morgen. Er is misschien geen morgen voor u. Er is nog weinig tijd. Val op uw knieën en word gereinigd van uw zonden. Wees goed voor elkaar. Terwille van Jezus, wees vriendelijk en vergevensgezind jegens elkander.
Als u kwaad bent op iemand, vergeef hem. Geen ruzie is het waard om voor naar de hel te gaan. Wees vergevensgezind, zoals Christus ons onze zonden vergeeft. Jezus is in staat om ons te bewaren als wij een berouwvol hart hebben en zal ons met Zijn bloed reinigen van alle zonden. Heb uw kinderen lief, en heb uw naaste lief als uzelf.

4a. Meer putten

De volgende nacht gingen Jezus en ik nogmaals het rechterbeen van de hel binnen. Evenals de vorige keren zag ik de liefde die Jezus had voor de verloren zielen in de hel. En ik voelde Zijn liefde voor mij en voor allen die op aarde waren.

"Kind", zei Hij tegen mij: "Het is niet de Vaders wil dat iemand verloren gaat. Satan bedriegt velen, en zij volgen hem. Maar bij God is vergeving. Hij is een God van liefde. Als deze verlorenen werkelijk tot de Vader waren gekomen en berouw hadden getoond, Hij zou ze vergeven hebben". Grote tederheid kwam over Jezus' gelaat terwijl Hij sprak.

Weer liepen wij tussen de vlammende putten en passeerden mensen die martelingen ondergingen, zoals ik eerder beschreef. Mijn Heer, mijn Heer, zulke verschrikkingen! dacht ik. Wij bleven maar doorlopen en kwamen langs vele, vele zielen die brandden in de hel.

Overal langs het voetpad strekten brandende handen zich uit naar Jezus. Er waren alleen botten waar vlees had moeten zijn - een grijsachtige massa met brandend en ontbindend vlees dat in flarden neerhing. Binnenin elke skaletvorm was een vuilgrijze nevelige ziel, voor altijd gevangen binnenin een uitgedroogd geraamte. Ik kon aan hun gehuil horen dat zij het vuur, de wormen, de pijn en de hopeloosheid van hun toestand voelden. En hun geklaag vulde mijn ziel met een leed zo groot dat ik het niet kan beschrijven. Hadden ze maar geluisterd, dacht ik, dan zouden ze hier niet zijn.

Ik wist dat de verlorenen in de hel al hun zintuigen hadden. Zij herinnerden zich alles wat hun ooit verteld was. Zij wisten dat zij niet aan de vlammen konden ontkomen en dat zij voor altijd verloren waren. Toch, al waren zij zonder hoop, toch hoopten zij terwijl zij tot Jezus riepen om genade.

Wij stopten bij de volgende put. Die was precies eender als al die andere putten. Daarbinnen was de vorm van een vrouw, iets wat ik wist toen ik haar stem hoorde. Zij schreeuwde het uit tot Jezus om bevrijding van de vlammen.

Jezus keek met liefde naar de vrouw en zei: "Terwijl u op aarde was, riep Ik u om tot Mij te komen. Ik pleitte bij u om alles met Mij in orde te maken voordat het te laat was. Ik bezocht u vele malen midden in de nacht om u te vertellen over Mijn liefde. Ik probeerde u over te halen en trok u tot Mij door Mijn Geest.

'Ja Heer', zei u: Ik zal U volgen'. Met u lippen zei u dat u Mij liefhad, maar uw hart meende het niet. Ik wist waar uw hart was. Dikwijls zond Ik Mijn boodschappers naar u toe om u te vertellen dat u zich moest bekeren, en tot Mij moest komen, maar u wilde niet naar Mij luisteren. Ik wilde u gebruiken om anderen te bedienen, om anderen te helpen Mij te vinden, maar u wilde niet naar Mij luisteren, noch wilde u tot berouw van uw zonden komen".

De vrouw zei tot Jezus: "U herinnert U Heer, dat ik naar de kerk ging en een goede vrouw was. Ik bezocht de kerk. Ik was lid van Uw kerk. Ik wist dat Uw roeping op mijn leven was. Ik wist dat ik die roeping moest gehoorzamen wat het ook mocht kosten, en ik deed het ook".

Jezus zei: "Vrouw, u bent nog altijd vol leugens en zonde. Ik riep u, maar u wilde niet naar Mij luisteren! Het is waar, u was lid van een kerk, maar dat brengt u niet in de hemel. Uw zonden waren vele, en u bekeerde zich niet. U was er de reden van dat anderen struikelden bij het horen van Mijn Woord. U wilde anderen niet vergeven wanneer zij u pijn deden. U deed alsof u Mij liefhad en Mij diende wanneer u met christenen was, maar u loog, bedroog en stal wanneer er geen christenen in uw omgeving waren. U luisterde naar misleidende geesten en genoot van uw dubbel leven. U kende de rechte smalle weg".
"En", zei Jezus: "u sprak bovendien met twee monden. U sprak kwaad over uw broeders en zusters in Christus. U veroordeelde hen en dacht dat u heiliger was dan zij, terwijl er grote zonde in uw hart was. Dit weet Ik: U wilde niet naar Mijn liefdevolle Geest van erbarmen luisteren. U oordeelde naar de buitenkant van een persoon, zonder rekening te houden met het feit dat velen kinderen in het geloof waren. U was erg hard".

"Ja, u zei met uw lippen dat u Mij liefhad, maar uw hart was verre van Mij. U kende de wegen van de Here. U speelde met God, en God weet alle dingen. Als u God oprecht had gediend zou u hier vandaag niet zijn. U kunt niet terzelfder tijd satan en God dienen".

Jezus keerde Zich naar mij toe en zei: "In de laatste dagen zullen velen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten volgen en de zonde dienen. Gaat weg uit hun midden, en scheidt u af. Wandelt niet de weg met hen". Toen wij wegliepen begon de vrouw Jezus te verwensen en te vervloeken. Zij gilde en huilde van woede. Wij wandelden door. Ik voelde me zo zwak in mijn lichaam.

In de volgende put was ook de vorm van een geraamte. Ik rook de geur van de dood zelfs voordat wij arriveerden. Dit skalet zag er net uit als de anderen.
Ik vroeg mij af wat deze ziel gedaan had dat zij verloren en zonder hoop, zonder toekomst zou zijn, behalve een eeuwigheid in deze angstwekkende plaats. Hel is voor eeuwig. Als ik het huilen van de gefolterde zielen hoorde, huilde ik ook.

Ik luisterde, toen een vrouw vanuit de vlammen van de put tot Jezus sprak. Zij haalde het Woord van God aan. "Lieve Heer, wat doet zij hier?" vroeg ik. "Luister", zei Jezus.
De vrouw zei: "Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem. Jezus is het Licht van de wereld. Kom tot Jezus, en Hij zal u redden".

Terwijl zij sprak luisterden velen van de verloren zielen om haar heen. Sommigen vervloekten haar. Sommigen zeiden haar ermee te stoppen. Nog weer anderen zeiden: "Is er werkelijk nog hoop?", of "Help ons, Jezus". Smartelijk geschreeuw vulde de lucht.

Ik begreep niet wat er gebeurde. Ik wist niet waarom de vrouw het Evangelie hier predikte.
De Here kende mijn gedachten. Hij zei: "Kind, Ik riep deze vrouw toen zij dertig was om Mijn Woord te prediken en een getuige van het Evangelie te zijn. Ik roep verschillende mensen voor verschillende doelen in Mijn lichaam. Maar als een man of vrouw of jongen of meisje Mijn Geest niet wil ontvangen, zal Ik weggaan.

"Zij beantwoordde Mijn roepstem vele jaren lang en zij groeide in de kennis van de Here. Zij leerde Mijn stem kennen en deed vele goede werken voor Mij. Zij bestudeerde het Woord van God. Zij bad veel en vele van haar gebeden werden beantwoord. Zij onderwees veel mensen de weg der heiligheid. Zij was getrouw in haar huis".

"De jaren gingen voorbij tot zij op een dag ontdekte dat haar man een affaire met een andere vrouw had. En ook al vroeg hij haar om vergeving, toch werd zij bitter, zij wilde hem niet vergeven en proberen om haar huwelijk te redden. Het is waar, haar man had verkeerd gedaan, hij bedreef een zeer ernstige zonde".
"Maar deze vrouw kende Mijn Woord. Zij wist hoe te vergeven, en zij wist dat er bij iedere verzoekinhg uitkomst was. Haar man vroeg haar hem te vergeven. Zij wilde niet. In plaats daarvan wortelde boosheid in haar. Woede groeide in haar. Zij wilde het niet aan Mij overgeven. Zij werd iedere dag bitterder en zei in haar hart: Hier ben ik, ik dien God volkomen, en mijn man loopt een andere vrouw na. "Denkt U dat dat juist is?" vroeg zij Mij.

"Ik zei: "Nee, het is niet goed. Maar hij kwam naar je toe en had berouw en zei dat hij het nooit meer zou doen". "Ik zei tegen haar: "Dochter, kijk bij jezelf naar binnen, dan zul je zien dat jij de oorzaak ervan was". "Ik niet, Here", zei ze: "Ik ben de heilige, en hij is de zondige". Zij wilde niet naar Mij luisteren.

"De tijd ging voorbij en zij wilde niet tot Mij bidden of de bijbel lezen. Zij werd niet alleen boos op haar man, maar ook op de mensen om haar heen. Zij haalde de schrift aan, maar zij wilde hem niet vergeven".
"Zij wilde niet naar Mij luisteren. Zij werd zo bitter dat grote zonde haar hart binnenkwam. Haar hart dat eens vol liefde was, werd moordlustig. En op een dag, in haar boosheid, doodde zij haar man en die andere vrouw. Satan nam geheel bezit van haar en toen doodde zij zichzelf".

Ik keek naar die verloren ziel die Christus uit haar leven had weggedaan en haar eigen ziel voor eeuwig had veroordeeld tot de vlammen en de pijn. Ik luisterde toen zij tegen Jezus zei: "Ik zal nu vergeven, Here", zei ze. "Laat mij hieruit. Ik zal U nu gehoorzamen. Hoor maar Heer, ik predik nu Uw Woord. Over een uur zullen de demonen komen om mij mee te nemen om nog verschrikkelijker te martelen. Zij zullen mij urenlang folteren. Omdat ik Uw Woord aan het prediken was zijn mijn martelingen erger. Alstublieft Heer, ik smeek U, laat mij eruit".

Ik huilde mee met de vrouw in de put en vroeg de Here om mij alstublieft te bewaren voor een bitter hart. "Laat mij niet toestaan dat bitterheid mijn hart binnenkomt, Here Jezus", zei ik.
"Kom, laten we gaan", zei Jezus.

4b. Meer putten

In de volgende put was de ziel van een man omgeven door zijn skeletvorm, roepende tot Jezus: "Heer, help mij te begrijpen waarom ik hier ben". Jezus zei: "Kalm, wees stil. U weet waarom u hier bent". "Laat mij eruit en ik zal goed zijn". smeekte de man. De Here zei: "Zelfs in de hel liegt u nog".

Toen keerde Jezus Zich tot mij en zei: "Deze man was 23 jaar oud toen hij hier kwam. Hij wilde niet luisteren naar Mijn Evangelie. Hij hoorde Mijn Woord vele malen en was dikwijls in Mijn huis. Ik trok hem door Mijn Geest tot Mijn behoudenis, maar hij wilde de wereld en haar lusten. Hij hield van drinken en wilde geen acht geven op Mijn roepen. Hij was opgegroeid in de kerk, maar hij wilde zich niet aan Mij overgeven. Op een dag zei hij tegen Mij: "Eens op een dag zal ik mijn leven aan U geven, Jezus". Maar die dag kwam niet. Op een nacht na een feestje was hij in een auto-ongeluk en werd gedood. Satan bedroog hem tot het einde toe.

"Hij werd onmiddelijk gedood. Hij wilde niet luisteren naar Mijn geroep. Anderen werden ook in het ongeval gedood. Satans werk is te slachten, te stelen en te vernietigen. Had deze jonge man maar geluisterd! Het is niet de wil van de Vader dat iemand verloren gaat. Satan wilde de ziel van deze man, en hij beroofde zichzelf ervan, door onverschilligheid, zonde en sterke drank. Elk jaar worden er vele gezinnen en levens vernietigd vanwege de alcohol".

Konden mensen maar zien dat de begeerten en lusten van de wereld slechts tijdelijk zijn! Als u tot de Here Jezus komt zal Hij u verlossen van de sterke drank. Roep Jezus aan en Hij zal u horen en helpen. Hij wil uw vriend zijn. Onthoud dat Hij u liefheeft, en dat Hij ook de macht heeft om zonden te vergeven.
Getrouwe christenen, Jezus waarschuwt u dat u geen overspel mag plegen. En als u iemand begeert van het andere geslacht, zelfs wanneer u geen overspel pleegt, kan dit overspel in uw hart zijn.

Jonge mensen, ga drugs en sexuele zonden uit de weg. Mocht u gezondigd hebben, dan zal God u vergeven. Roep Hem aan terwijl er nog tijd is. Zoek sterke christelijke volwassenen, en vraag hun of u met hen kan praten over uw problemen. U zult blij zijn dat u tijd ervoor uitgetrokken hebt nu, in deze wereld, voordat het te laat is.

Satan komt als een engel des lichts om de wereld te bedriegen. Geen wonder dat de zonden van de wereld deze jonge man verleidelijk toeschenen, ook al kende hij het heilige Woord van God. Nog één feestje, dacht hij, Jezus zal het best begrijpen. Maar de dood kent geen genade. Hij wachtte te lang.

Ik keek naar de ziel van de man en ik werd aan mijn eigen kinderen herinnerd. "O God, dat zij U mogen dienen!" Ik weet dat velen van u die dit lezen, geliefden hebben, misschien kinderen waarvan u niet wilt dat ze naar de hel gaan. Spreek tot hen over Jezus voordat het te laat is. Zeg hen dat ze zich van hun zonden moeten bekeren en dat God hen wil vergeven en heilig wil maken.

De kreten van de man bleven dagenlang in mij naklinken. Ik zal nooit zijn berouwvol geroep vergeten. Ik herinner mij het vlees dat hing en brandde in de vlammen. Nooit kan ik vergeten de ontbinding, de stank van de dood, de gaten waar eens de ogen waren, de vuilgrijze zielen en de wormen die door de beenderen heenkropen. De vorm van de jonge man hief zijn armen op naar Jezus, pleitend, toen wij doorliepen naar de volgende put.

"Lieve Heer", bad ik: Geef mij de kracht om door te gaan".
Ik hoorde een vrouwenstem wanhopig schreeuwen. Het gegil van de doden was overal te horen.
We stonden nu bij de put waarin de vrouw was. Zij pleitte met haar hele ziel of Jezus haar daaruit wilde halen. "Heer", zei ze: "Ben ik hier nu niet lang genoeg geweest? De foltering is meer dan ik kan dragen. Alstublieft Heer, laat mij erui!" Snikken schokten haar vorm, en er was veel pijn in haar stem. Ik wist dat zij erg leed.

Ik zei: "Jezus, is er niets wat U kunt doen?"
Jezus sprak toen tegen de vrouw: "Toen u op aarde was, riep Ik u aanhoudend om tot Mij te komen. Ik smeekte u om het met Mij in orde te maken, om anderen te vergeven, recht te doen, weg te blijven van de zonde. Ik bezocht u zelfs in het middernachtelijk uur, en trok u steeds weer door Mijn Geest. Met uw lippen zei u dat u Mij liefhad, maar uw hart was verre van Mij. Wist u niet dat niets voor God verborgen kan blijven? U hield anderen voor de gek, maar Mij kunt u niet voor de gek houden. Ik bleef anderen zenden om u te vertellen dat u zich moest bekeren, maar u wilde niet luisteren. U wilde niet horen, u wilde niet zien, en in boosheid stuurde u hen weg. Ik plaatste u daar waar u Mijn Woord kon horen. Maar u wilde uw hart niet aan Mij geven".

"U voelde geen spijt, u schaamde zich niet voor wat u deed. U verhardde uw hart en wees Mij af. Nu bent u verloren en voor altijd in het verderf gestort. U had naar Mij moeten luisteren".
Bij deze woorden keek zij naar Jezus en begon te vloeken en God te verwensen.

Ik voelde de tegenwoordigheid van boze geesten en wist dat zij het waren die vloekten en vervloekten. Hoe droevig om voor altijd in de hel verloren te zijn! Wedersta de duivel, terwijl u het nog kunt, en hij zal van u vlieden.
Jezus zei: "De wereld en alles wat erin is zal voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan".

5. De tunnel van vrees

Ik probeerde mij te herinneren wat ik had horen prediken over de hel. Maar nooit had ik over zulke verschrikkelijke dingen horen spreken als de Here mij had laten zien. De hel was oneindig veel erger dan wie dan ook kon bedenken of zich voorstellen. Het doet mij zoveel pijn te weten dat de zielen die nu in de hel gefolterd worden daar voor eeuwig zullen blijven. Er is geen mogelijkheid om eruit te komen.

Ik ben vastbesloten om alles te doen wat in mijn vermogen ligt om zielen te redden van deze vreselijke plaats. Ik moet het Evangelie prediken aan iedereen die ik ontmoet, want de hel is verschrikkelijk en dit is een waar verslag. Realiseert u zich wat ik zeg? Als zondaars zich niet bekeren en het Evangelie niet geloven, zullen zij zonder de minste twijfel hier terecht komen.

Geloof in de Here Jezus Christus en doe een beroep op Hem om u te redden van de zonde. Lees de hoofdstukken drie en veertien van het Evangelie van Johannes. En lees alstublieft dit boek van kaft tot kaft opdat u alles aangaande de hel en het hiernamaals beter zult kunnen begrijpen. En terwijl u leest, bid Jezus of Hij uw hart wil binnenkomen en uw zonden wil wegwassen voordat het te laat is.

Jezus en ik liepen verder door de hel. Het pad was verbrand, droog, gebarsten en kaal. Ik zag rijen putten zover als ik kon zien. Ik was erg vermoeid. Mijn geest was gebroken vanwege alles wat ik gezien en gehoord had en ik wist dat er nog meer in het verschiet was.
"Jezus, geef mij de kracht om door te gaan", schreide ik.

Wanneer Jezus voor mij uitging, liep ik vlak achter Hem. Ik was vol leed over al de vreselijke dingen die ik had gezien. Ik vroeg mezelf af of de wereld mij zou willen geloven. Ik keek naar links en naar rechts en achterom - er waren vuurputten zover als ik kon kijken. Ik was omringd door het vuur, de vlammen en de brandende zielen. Ik schreeuwde het uit van pure angst. De verschrikkingen en de realiteit van wat ik zag was ondragelijk voor mij.

"O aarde, bekeer u", riep ik. Mijn geest schokte van het snikken als ik met Jezus voortging. Ik vroeg me af wat er nu kwam. Ik vroeg me af wat mijn familie en vrienden op dat moment deden. O, wat hield ik veel van ze! Ik herinnerde mij hoe ik had gezondigd voordat ik naar Jezus terugkeerde, en ik dankte God dat ik teruggekomen was voordat het te laat was.

Jezus zei: "Wij gaan een tunnel binnen die ons naar de buik van de hel zal voeren. De hel heeft de vorm van een menselijk lichaam dat in het centrum van de aarde ligt. Het lichaam ligt op de rug met beide armen en beide benen uitgestrekt. Zoals Ik een lichaam van gelovigen heb, zo heeft de hel een lichaam van zonde en dood. Evenals het Christus-lichaam dagelijks opgebouwd wordt, zo wordt ook het hel-lichaam dagelijks opgebouwd".

Op weg naar de tunnel liepen we langs de vlammende putten, terwijl de kreten en de klachten van de verdoemden in mijn oren klonken. Velen riepen om Jezus wanneer wij langs liepen. Anderen probeerden uit de vuur- en zwavelputten te klimmen om Hem te bereiken, maar zij konden het niet. Te laat, te laat, weende mijn hart.

Jezus' gelaat was steeds vol droefheid terwijl wij voortliepen. Ik herinner me dat ik keek naar de putten van vuur denkend over de vele keren dat wij op onze achterplaats een "barbecue" hadden en hoe de roodhete kolen eruitzagen wanneer ze urenlang gesmeuld hadden. Het leek veel op wat ik nu in de hel zag.
Ik was zo dankbaar toen we de tunnel binnengingen. Ik dacht: de tunnel kan onmogelijk zo erg zijn als de putten. Maar wat vergiste ik me!

Zodra we erin waren begon ik grote slangen te zien, grote ratten en vele boze geesten, die allemaal wegrenden van de tegenwoordigheid van de Here. De slangen sisten tegen ons en de ratten piepten. Er waren veel kwade geluiden. Adders en donkere schaduwen waren overal om ons heen. Jezus was het enige licht dat te zien was in de tunnel. Ik bleef zo dicht naast Hem als ik maar kon.

Duiveltjes en duivels bedekten de zijkanten van dit hol en zij gingen allemaal ergens naar omhoog en dan de tunnel uit. Later ontdekte ik dat deze boze geesten naar het aardoppervlak gingen om satan te gehoorzamen.

Jezus voelde mijn vrees voor deze donkere, vuile, vochtige plaats en zei: "Vrees niet; we zullen spoedig aan het eind van de tunnel zijn. Ik moet je deze dingen laten zien. Kom, volg Mij".
Reusachtige slangen glibberden ons voorbij. Sommige van de slangen waren ruim een meter dik en zes meter lang. Zware, vuile geuren vulden de lucht en overal waren boze geesten.

Jezus sprak: "Wij zullen al gauw bij de buik van de hel zijn. Dat deel van de hel is 20 kilometer hoog en 4 kilometer in de rondte, als een cirkel", Jezus gaf mij de juiste maten.

Ik wil mijn best doen om neer te schrijven en te vertellen wat ik zag. Dit wil ik doen voor de glorie van de Vader, de glorie van de Zoon en de glorie van de Heilige Geest. Moge de wil van God gedaan worden.

Ik wist dat Jezus mij al deze dingen liet zien opdat ik de mannen en vrouwen van de wereld kon vertellen te allen tijde en ten koste van alles de hel te mijden. Geliefden, als u dit aan het lezen bent en u kent Jezus nog niet, stop nu onmiddelijk, heb berouw van uw zonden en vraag Hem of Hij uw Redder wil zijn.

6a. Bedrijvigheid in de hel

Vóór ons kon ik een flauw, geel licht zien. Jezus en ik hadden de tunnel van vrees verlaten en stonden nu op een vuile, brede richel die de buik van de hel overzag. Zo ver als ik kon kijken was er heel veel bedrijvigheid gaande in het centrum (de buik) van de hel.

Wij stopten en Jezus sprak: "Ik zal je nu door het centrum van de hel leiden en Ik zal je vele dingen openbaren. Kom, volg Mij". Wij wandelden samen verder.

Jezus zei: "Vóór ons zijn vele verschrikkingen. Die zijn niet het verdichtsel van iemands verbeelding - maar werkelijkheid. Denk eraan dat je je lezers vertelt dat de demonen werkelijk bestaan. Zeg ze ook dat satan waarlijk bestaat en dat de machten der duisternis reëel zijn. Maar zeg hun niet te wanhopen, want als Mijn volk waarover Mijn naam is uitgeroepen, zich verootmoedigt, en zij bidden en zoeken Mijn aangezicht, en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun land en lichamen herstellen. Even zeker als de hemel bestaat, bestaat ook de hel".

God wil dat u kennis hebt van de hel, en Hij wil u bewaren voor die plaats. God wil dat u weet dat er een weg ter ontkoming is. Die weg is Jezus Christus, de Redder van uw ziel. Onthoud dat alleen zij, wier namen geschreven staan in het Boek des Levens van het Lam, gered zullen worden.

Wij kwamen bij de eerste bedrijvigheid in het centrum van de hel. Toen wij binnenkwamen was het aan de rechterkant en op een kleine heuvel in een donkere hoek van de hel.

Ik herinnerde mij de woorden van de Here toen Hij tot mij zei: "Soms zal het je toeschijnen dat Ik je verlaten heb, maar dat is niet zo. Onthoud dat Ik alle macht heb, in de hemel en op aarde. Er zullen tijden zijn dat de boze geesten en verloren zielen ons niet zullen zien of weten dat wij hier zijn. Vrees niet. Wat je straks zult zien gebeurt echt. Deze dingen gebeuren op dit moment en zullen blijven gebeuren totdat de dood en de hel in de poel van vuur geworpen worden".

Beste lezer, overtuig u ervan dat uw naam staat geschreven in het Boek des Levens van het Lam.
Niet ver bij ons vandaan kon ik stemmen horen en de kreten van een gefolterde ziel. We liepen het heuveltje op en keken over de top heen. Aan de andere kant was een licht dat de omgeving verlichtte. Een gekrijs zoals je nooit gedacht had dat mogelijk was, vulde de lucht. Het waren de kreten van een man.
"Luister naar Mij", zei Jezus. "Wat je nu zult zien en horen is waar. Geeft acht, gij dienaars van het Evangelie, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. Waakt op, evangelisten en leraars van Mijn Woord, gij allen die geroepen zijt om het Evangelie van de Here Jezus Christus te prediken. Als u zondigt, bekeert u, of u zult evenzo verloren gaan".

Wij naderden tot op zo'n vijf meter van deze activiteit. Ik zag kleine donkergeklede figuren rondom een kistachtig voorwerp marcheren. Bij nader bezien bleek dat de kist een doodkist was en de figuren die er rondom marcheerden demonen waren. Het was een echte doodkist, en 12 demonen marcheerden er omheen. Terwijl zij marcheerden zongen en lachten zij. Elk van hen had een scherpe speer in zijn hand die hij telkens stootte door kleine openingen die in de buitenkant aangebracht waren.

Er was een sfeer van grote angst in de lucht, en ik beefde toen ik zag wat er gebeurde.
Jezus kende mijn gedachten, want Hij zei: "Kind, er zijn vele zielen die hier gefolterd worden, en er zijn vele verschillende soorten van foltering voor deze zielen. Er is een grotere straf voor hen die eens het Evangelie predikten maar weer in zonde vielen, dan voor hen die de roeping van God voor hun leven niet wilden gehoorzamen".

Ik hoorde een schreeuw zo vertwijfeld dat het mijn hart vulde met wanhoop. "Geen hoop, geen hoop!" riep hij uit. De hopeloze kreten kwamen uit de doodkist. Het was een eindeloze klacht van wroeging. "O, wat verschrikkelijk!" riep ik.

"Kom", zei Jezus: "laten we dichterbij gaan". Hij liep naar de doodkist en keek naar binnen. Ik volgde en keek ook naar binnen. Het bleek dat de boze geesten ons niet konden zien.
Een vuilgrijze mist vulde de doodkist. Het was de ziel van een man. Terwijl ik toekeek, stootten de demonen hun speren in de ziel van de man in de doodkist.

Ik zal nooit het lijden van deze ziel vergeten. Ik riep tegen Jezus: "Laat hem eruit, Heer; laat hem eruit". De foltering van deze ziel was een ontzettend gezicht. Mocht hij toch maar bevrijd worden. Ik trok aan Jezus' hand en smeekte Hem om de man uit de doodkist te laten.

Jezus zei: "Mijn kind, zwijg, wees stil".
Terwijl Jezus sprak zag de man ons. Hij zei: "Heer, Heer, laat mij eruit. Ontferm U!" Ik keek naar omlaag en zag een bloederige massa. Voor mijn ogen was een ziel. Binnenin de ziel was een menselijk hart, en het bloed spoot eruit. de steken van de speren doorboorden letterlijk zijn hart.

"Ik zal U nu dienen, Heer", smeekte hij: "Alstublieft, laat mij eruit". Ik wist dat deze man iedere speer voelde die zijn hart doorboorde. "Dag en nacht wordt hij gemarteld", zei de Here. "Hij werd hier door satan gebracht en het is satan die hem foltert".

De man huilde: "Heer, ik zal nu het ware Evangelie prediken. Ik zal de mensen vertellen over zonde en hel. Maar alstublieft, help me hieruit".
Jezus zei: "Deze man was een prediker van het Woord van God. Er was een tijd dat hij Mij diende met zijn hele hart en vele mensen tot bekering bracht. Vandaag, vele jaren later, dienen sommigen van hen Mij nog altijd. Maar de lust van het vlees en het bedrog van de rijkdom brachten hem op een dwaalweg. Hij liet toe dat satan de heerschappij over hem voerde. Hij had een grote kerk, een mooie auto, een groot inkomen. Hij begon te stelen van de collecte. Hij begon leugens te onderwijzen. Hij sprak voornamelijk halve leugens en halve waarheden. Hij wilde Mij niet toestaan hem te corrigeren. Ik zond Mijn boodschapper om hem te vertellen dat hij zich moest bekeren en de waarheid moest prediken, maar hij had meer liefde voor de genietingen van dit leven dan voor het leven van God. Hij had nooit geleerd om enige andere leerstelling te onderwijzen of te prediken dan de waarheid zoals die in de Bijbel wordt geopenbaard. Maar voordat hij stierf, zei hij dat de doop in de Heilige Geest een leugen was en dat zij, die er aanspraak op maakten dat ze de Heilige Geest hadden, huichelaars waren. Hij zei dat je als je een dronkaard was toch naar de hemel ging, zelfs zonder berouw.

"Hij zei dat God niemand naar de hel stuurde - dat God daarvoor te goed was. Hij was er de oorzaak van dat vele goede mensen afvallig werden. Hij zei zelfs dat hij Mij niet nodig had, want hij was als een god. Hij ging zelfs zover dat hij seminaries hield om deze valse leer te onderwijzen. Hij vertrapte Mijn heilig Woord onder zijn voeten. Toch bleef Ik hem liefhebben.

"Mijn kind, het is beter om Mij nooit gekent te hebben dan Mij te kennen en zich daarna van Mij af te keren en Mij niet meer te dienen", zei de Here.
"Had hij maar naar U geluisterd, Here!" schreide ik. "Had hij zich maar om zijn eigen ziel en die van anderen bekommered".

"Hij luisterde niet naar Mij. Toen Ik hem riep wilde hij Mij niet horen. Hij hield van een gemakkelijk leventje. Ik bleef hem tot bekering roepen, maar hij wilde niet bij Mij terugkomen. Op een dag had hij een ongeluk en kwam onmiddelijk hier. Nu foltert satan hem omdat hij eens Mijn Woord predikte en zielen redde voor Mijn Koninkrijk. Dit is zijn foltering".

Ik keek naar de demonen die rondom de doodkist bleven marcheren. Het hart van de man klopte en er vloeide echt bloed uit. Nimmer zal ik zijn kreten van pijn en smart kunnen vergeten.
Jezus keek naar de man in de doodkist met groot erbarmen en zei: "Het bloed van vele verloren zielen kleeft aan de handen van deze man. Velen van hen worden hier op dit moment gemarteld". Met een treurig hart liepen Jezus en ik door.

Toen wij doorliepen zag ik nog een groep demonen naar de doodkist toelopen. Zij waren bijna een meter lang, gekleed in zwarte kleren met zwarte kappen over hun hoofd. Zij werkten in ploegen om deze ziel te folteren.

Ik dacht eraan hoe trots een ieder van ons, nu en dan, onwillig maakt om fouten toe te geven en vergeving te vragen. Wij weigeren berouw te tonen en onszelf te vernederen, en wij vervolgen onze weg alsof wij het altijd bij het rechte eind hebben. Maar luister ziel, de hel is reëel. Alstublieft, ga niet naar die plaats.

6b. Bedrijvigheid in de hel

Jezus en ik liepen naar een ontgonnen terrein, waaromheen het bezaaid lag met stenen. Er waren hier en daar lage muren, alle gemaakt van aarde en steen. Er scheen een helder licht in een terrein dat ongeveer de grootte had van een grote danszaal.
Jezus zei: "Mijn kind, zie de werken van satan". Dit is wat ik zag en hoorde:

De klanken van lieflijke muziek vulden de lucht, en middenin de danszaal op een goedverlichte dansvloer waren vijf mooie, dansende vrouwen. Zij stonden allen in een rij en bewogen samen op de maat van de muziek. Terwijl zij dansten, lachten zij. Het leek wel een schoonheidswedstrijd - want de vrouwen waren buitengewoon elegant. Zij waren in feite zo aantrekkleijk dat het onwaarschijnlijk leek.
Ik dacht: Hoe kan iemand zo mooi zijn in de hel? De kleren die de vrouwen droegen waren prachtig en erg duur. Zij zagen eruit als prinsessen zonder een enkel gebrek. Alles aan hen leek volmaakt. Ik vroeg mij af wat zij in de hel deden. Zij zagen er niet slecht of zondig uit.

Maar toen merkte ik op dat zij meedansten met de beweging van een vuur en dat de vlammen op en neer dansten langs hun volmaakte lichamen. Zij lachten als de vlammen hun lichamen bedekten. Zij werden niet verbrand noch voelden zij enige pijn.
Ik keek toe toen de muziek opeens stopte en de danszaal stil werd. De rij mooie vrouwen stond stil en wachtte toen er iemand naderde. Een boosaardige aanwezigheid vulde de zaal - een kwaad dat groter was dan ik ooit eerder had gevoeld.
En toen zag ik de achterkant van een duister persoon omhuld door schaduwen. Zijn rug was naar mij toe en hij was gekleed in een lang kleed en een donkere cape. Naast hem waren twee mannen. Ook hún rug was naar Jezus en mij toegekeerd. Ik wist dat zij ons niet konden zien.

"Let op", zei Jezus.
Ik wist dat de boosaardige aanwezigheid satan was, want de mooie vrouwen begonnen voor hem te buigen en in koor te roepen: "Wees gegroet satan, wees gegroet satan!"
Satan begon te spreken. Hij zei: "Mijn dochters, jullie hebben mijn bevelen gehoorzaamd en jullie zijn nu klaar om uit te gaan, naar de aarde om mijn wil te doen. De machten der duisternis zijn jullie gegeven, en je hebt al de hulpbronnen van de hel tot je beschikking om je te helpen in je werk".
Satan lachte kwaadaardig en zei: "Nu, om jullie in herinnering te brengen hoeveel macht ik heb, zal ik nu demonstreren wat er zal gebeuren als jullie mij niet onvoorwaardelijk gehoorzamen".
Satan zwaaide met zijn armen over hen heen en zij begonnen tot hem te roepen: "O, alstublieft satan, niet doen. Wij zullen u gehoorzamen en doen wat u beveelt. Alstublieft satan, folter ons niet". Maar satan luisterde niet naar hen.

Ik keek in verbazing toe toen de mooie lichamen van deze vrouwen begonnen te veranderen in het grijze, dode vlees van de hel. Wat eens volmaakte schoonheid was geweest, werd nu weerzinwekkende lelijkheid. De lieflijke lichamen vielen uit elkaar totdat er slechts een afschuwelijke doodsvorm overbleef. Hun vormen waren vol van demonen en kwade geesten, en er waren grote lange slangen die uit hun maag kropen en wegglibberden.

"Jezus, wat betekent dit?" vroeg ik. Jezus gaf mij geen antwoord.
"Satan, geef ons alstublieft onze mooie lichamen terug", smeekten de vrouwen. "Wij zullen u gehoorzamen". Gelach vulde de lucht weer toen satan zwaaide met zijn armen en de afschuwelijke vormen weer veranderden in mooie, lieflijke vrouwen.
"Luistert naar mij en gehoorzaamt mij", zei satan tegen hen. "Doet alles wat ik jullie zeg, en dan zul je in staat zijn om je knappe uiterlijk te behouden. Let nu op, dan zal ik jullie laten zien waar jullie mijn boze werken ten uitvoer zullen brengen".

Hierop hief de man aan satans linkerzijde zijn arm op, en op een muur aan de oostzijde verscheen een helder licht. Op de muur was een scherm, en op het scherm waren afbeeldingen van gewone, alledaagse plaatsen.
Satan zei: "Ga naar deze plaatsen toe en leeft en handelt als normale mensen. Misleidt vele mensen, en keert zovelen als je kunt van God af. Ik zal op jullie letten en iedere stap die je neemt zal mij bekent zijn. Zorgt ervoor dat je niet ontdekt wordt, en ik zal over jullie waken".

Satan hief zijn hand op naar het scherm, en taferelen begonnen zich daarop te vertonen. Er verscheen een straat in een stad, een nachtclub, een winkel, een bakkerswinkel, een warenhuis, een bank, een bruiloft, een rommelmarkt, een kerk en een stadhuis. Al de plaatsen die getoond werden waren gewone plaatsen, en vele andere gelijksoortige gebouwen liet satan hun zien op het scherm.

"Jullie zullen velen misleiden en er de oorzaak van zijn dat velen van de waarheid afwijken. Jullie zullen over de hele aarde gaan, mijn werk doen en dan terugkomen om verslag uit te brengen. Als je hulp nodig hebt, zal ik het jullie zenden. Jullie zijn goed getraind in het gebruik van je demonische krachten. Je opdracht is mij zielen te brengen. Je kunt ze verlokken door toverij, valse religies en de sekten. Je kunt zwakke christenen verleiden tot zonden van het vlees. Je kunt zaad van twijfel zaaien aangaande het Woord van God. Leidt mannen en vrouwen weg van het Evangelie van Jezus Christus en probeer ze te vernielen".

Een hoge tafel met laden werd bij satan gebracht. Er lagen papieren op. Hij pikte ze op en begon de vrouwen vele dingen voor te lezen. Sommige dingen daarvan begreep ik, andere weer niet.

"Zoek per week één ziel uit", vervolgde satan, "en werkt de hele week aan die ziel. Ik zal je drie weken geven om die ziel te verderven, en brengt dan rapport uit aan mij. Je zult aan niets gebrek hebben, want overvloedige rijkdommen staan tot je beschikking. Denkt eraan dat de ziel die je wint op haar beurt vele anderen voor mij kan winnen. Werkt hard, en ik zal je belonen. Als je gehoorzaam bent zal ik jullie ware "ik" aan de wereld openbaren. Vergeet niet dat je de macht hebt om te veranderen in welke vorm je ook wilt. Ik zal jullie alles zenden wat je nodig hebt om succesvol te zijn. Nu wil ik dat jullie gaan en mijn werk doen, en over een maand terugkomen".

"Ik zal de overwinning hebben over God!" krijste satan, terwijl hij weer met zijn arm zwaaide, en de mooie vrouwen begonnen op te stijgen naar de aarde.
Ik bleef kijken en waar de vrouwen hadden gestaan bleef alleen het vuur over. Ik zag hoe satan tegen de twee mannen die bij hem waren zei: "Kijk!" en hij wees op de muur waarop het scherm was. "Ik haat God" zei hij, "en deze vrouwen zullen een heel goed werk voor mij doen".

Ik zag in de film die op het scherm te zien was dat de mooie vrouwen nu in de steden, winkels, kerken en café's waren - overal deden zij hun boze werken. Zij waren verleidende geesten, demonen van de hel, losgelaten op de aarde, en de mensen wisten niet dat het demonen waren.

Demonische machten bestaan werkelijk, dacht ik. Zij zijn werkelijk daar op aarde en verleiden en misleiden wie ze maar kunnen bereiken. Zij bedriegen, liegen en stelen om maar een discipel voor satan te winnen. Het filmdoek was plotseling verdwenen en ik keek toe hoe satan en de twee mannen bij hem verdwenen in rook.

Hierna liet Jezus mij een reusachtige klok zien, die zich uitstrekte over de hele wereld. En ik hoorde de klok tikken. De uurwijzer stond bijna op 12 uur, en de minuutwijzer rende rond tot hij stopte op drie minuten voor twaalf. Steelsgewijze bewoog de minuutwijzer naar het uur. Terwijl hij bewoog werd het tikken luider en luider tot het de hele aarde scheen te vullen.

God sprak als een bazuin en Zijn stem klonk als vele wateren: "Luister en hoor wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wees gereed want op een tijd dat u het niet verwacht, zak Ik wederkomen. Ik hoor de klok slaan. Het is 12 uur. De Bruidegom is gekomen om Zijn Bruid tot Zich te nemen".

Bent u gereed voor de komst van Jezus Christus, mijn vriend? Of zult u zijn als diegenen die zeggen: "Niet vandaag, Heer". Zult u Hem aanroepen en gered worden? Wilt u vandaag uw hart aan Hem geven? Onthoud dat Jezus u kan en wil redden van alle kwaad, als u Hem vandaag aanroept en u bekeert. Bid voor uw familie en uw geliefden dat zij tot Christus zullen komen voor het te laat is.
Luister als Jezus zegt: "Ik zal u beschermen voor het kwaad. Ik zal u bewaren op al uw wegen. Ik zal u redden. Ik zal uw geliefden redden. Roep Mij vandaag aan en leef".

Met vele tranen bid ik dat allen die dit boek lezen zich de waarheid zullen realiseren voordat het te laat is. De hel is voor eeuwig. Ik doe mijn uiterste best om u alles te openbaren wat ik gezien en gehoord heb. Ik weet dat deze dingen waar zijn. Als u de rest van dit boek leest, bid ik dat u zich zal bekeren en Jezus Christus zal aannemen als uw persoonlijke Verlosser.
Ik hoorde de Here zeggen: "Het is tijd om te gaan. Wij zullen morgen terugkeren".

Lees verder: 7. De buik van de Hel.



Naar boven

Jezus is Heer!

© Jezus Heer gemeenschap vzw